Online uitgaven

Interview Wim van Pelt

Auteur: Wim Busser

De hoge eisen die klanten stellen, zijn het beste op hun plaats in de Nederlandse vleesindustrie, vindt Wim van Pelt. ,, Hoe moeilijker het kunstje is, des te beter wij er aan kunnen voldoen en hoe lastiger het is om Nederland uit te wisselen voor een andere, low-costproducent.”
De voorzitter van de Centrale Organisatie voor de Vleessector is echter onverbiddelijk. ,,Deze inspanning moet wél worden beloond!”

‘PRIMAIRE SECTOR STAAT WERELDWIJD AAN TOP’
,,De Nederlandse vleessector beschikt over een sterke en innovatieve primaire sector. Of het nu gaat om varkens, kalveren of (melk)koeien. Op de terreinen dierenwelzijn, voedselveiligheid, milieu en productkwaliteit staan de Nederlandse varkens- en kalverhouderij wereldwijd aan de top.
Zij leveren een uitstekende grondstof, waarmee de verwerkende sector in Nederland als geen ander in staat is om maatwerk en geborgde kwaliteit te leveren op alle markten waar ze afzet plegen.
Als we naar de varkens kijken, dan beschikt de verwerkende sector over vlees, waarvoor de dieren zijn afgestemd op de markt waar dit terechtkomt. Global voor de wereldwijde industrie, Retail voor de supermarkten en Welfare voor de Britse baconmarkt bijvoorbeeld. De kalfsvleessector vult, dankzij een wereldwijd marktleidende positie, enerzijds een kwaliteitssegment vlees in en draagt anderzijds ook bij aan de post saldo en aanwas van de melkveehouderij.”

‘WE MOETEN STERK BLIJVEN IN VERSPRODUCTIE’
,,We zijn sterk exportgericht. Vijfennegentig procent van het kalfsvlees, tweederde van het varkensvlees en meer dan vijftig procent van het rundvlees gaan de grens over. Hierdoor zijn we gewend op te boksen tegen de sterkere positie van aanbieders, die voor de nationale markt produceren. Zij hebben dikwijls kostprijs- en imagovoordeel.
Willen we ook in de toekomst blijven meespelen, dan moeten we sterk blijven in de versproductie. Mondiaal kostprijsleiderschap is voor ons niet weggelegd. Mondiaal topkwaliteit leveren en een grondstof opwaarderen die uit de wereldwijd beste primaire sector komt, is een kunst die wij wél verstaan.
Nederland hoeft niet de hele wereld te bedienen, maar wel die markten die kwaliteit waarderen en bereid zijn daarvoor te betalen. Ik vrees dan ook niet voor de toekomst van onze varkenshouderij. Het massaproduct komt ongetwijfeld uit andere landen, maar voor de vleesvoorziening in de as Berlijn, Londen, Parijs levert de Nederlandse varkenshouderij de beste prestatie.
Er moet echter wel waardering zijn voor waarde. De sector spant zich graag in om aan de marktvraag te beantwoorden en haalt ook haar inspiratie uit die markt. Het geld moet echter ook uit diezelfde markt komen.”

‘VEE- EN VLEESSECTOR MOET ZICH BETER VERKOPEN’
,,De Nederlandse maatschappij stelt hoge eisen aan de wijze waarop dieren worden gehouden en dat werkt stevig door in de kostprijs. De kopers van onze producten zijn onze inspiratiebron, maar ik vraag me wel eens af waar het naar toe moet als de dierenwelzijnstandaard, de wijze waarop we de dieren moeten houden en de manier waarop we ons vlees moeten produceren ons worden opgelegd door vegetariërs en belangengroeperingen als Varkens in Nood, Milieudefensie en de Partij voor de Dieren.
De sector heeft moeite om een passend antwoord te geven op een flinterdunne maatschappelijke stroming, die als einddoel heeft de sector op te heffen en iedereen tot de consumptie van wortels en bonen te veroordelen.
We zijn als Nederlandse vee- en vleessector onvoldoende in staat onszelf goed te verkopen. We zitten gevangen in structuren, waarin iedereen vanuit zijn eigen profilering wil scoren en geen punt wil laten liggen voor een ander.
Dus hebben we geen antwoord op de non-issue-diarree, die een aantal clubjes over de sector uitsproeit. We moeten erover nadenken hoe we dat radicaal anders georganiseerd krijgen. Net zo snel en effectief als de ngo’s dat doen.
Niet gehinderd door verkokerde structuren, maar snel, efficiënt en op maat die informatie beschikbaar hebben waaraan behoefte is. En laten we niet de fout maken ons te richten op groepen die ons product verafschuwen. Daar is geen eer te behalen.”

‘RETAIL MOET ZIJN VERANTWOORDELIJKHEID NEMEN’
,,Bij de rol van retail in het level playing field van onze sector zet ik vraagtekens. De retail zegt te vertalen wat consumenten willen en legt de vleessector allerlei eisen op. Eisen, waaraan de Nederlandse sector, marktgedreven als die is, voldoet, maar uiteraard wel tegen een hogere kostprijs.
De consument kan in de winkel echter niet kiezen, want de retailer communiceert daar niet wat Nederlands vlees méér te bieden heeft dan vlees uit andere landen. Het vlees ligt anoniem in het schap met als gevolg dat de Nederlandse consument geen voorkeur heeft en de retail een klein volume vlees in Nederland koopt en de rest uit andere EU-landen haalt waar de standaards op de terreinen voedselveiligheid, duurzaamheid en kwaliteit lager zijn. Dat stuit mij vreselijk tegen de borst. Ik vind dat maatschappelijk onverantwoord ondernemen. Retailers zouden ook hier hun verantwoordelijkheid moeten nemen. Zeggen wat ze doen en doen wat ze zeggen!”

‘OPTIMALISATIE VAN DE KETEN LEVERT GELD OP’
,,Concentratie en globalisering van de afzetmarkten vragen om een sterke en vitale industrie. Consumenten gaan voor one-stop-shopping; inkopers meer en meer voor one-stop-sourcing. Zij zoeken betrouwbare leveranciers met grote volumes van repeteerbare kwaliteit en Nederland heeft bewezen dat te kunnen. Er zijn marktpartijen, die zich daarop hebben ontwikkeld en voorbereid. Dat is geen luxe, maar noodzaak voor een gezond toekomstperspectief.
Primaire sector en verwerkende industrie moeten elkaar daarom nog meer vinden en leren vertrouwen. De afzetmarkten eisen dat en terecht. In de kalversector is dat via de integraties al een feit, maar in de varkenssector laten we zo’n 20 eurocent per kilogram liggen omdat de keten nog onvoldoende efficiënt genoeg opereert. Optimalisatie van de keten levert geld op en ik vind het niet meer van deze tijd om dat alleen vanuit wantrouwen te benaderen.”

‘VLEESPRIJZEN MOETEN OMHOOG’
,,Elke dag proberen we met elkaar de laagste prijs uit te vinden. Niemand staat er echter bij stil dat prijs ook een kwaliteitssignaal is. Iets dat niets kost, kan ook niets zijn! Tien tot vijftien jaar geleden kostte een kilo rundergehakt twaalf tot vijftien gulden. Tegenwoordig is dat in de actie twee euro negenenveertig.
Zijn we daardoor meer gaan eten? Nee, eerder minder. We hebben met elkaar in een stabiele tot licht dalende markt dus een hoop geld weggegeven. Geld dat staat voor investeringsruimte in elke schakel van de kolom. Het is er niet meer en als we niets doen, krijgen we het ook niet meer terug. We zijn bezig de kip met de gouden eieren te slachten.
Consumenten hebben recht op aantrekkelijke en goede producten.
Daarvoor is een vitale en innovatieve sector nodig. Rendement is dan een vereiste, maar de werkelijkheid is dat de boeren geld toeleggen en de verwerkende sector onder druk staat. De prijzen moeten omhoog.
Het is voor de continuïteit van elke schakel in de keten toch van belang dat er geld wordt verdiend. Wie kan mij uitleggen dat al die mooie merken dierenvoeding vele malen duurder zijn dan vlees dat voor menselijke consumptie is bestemd? Je kunt toch niet anders dan concluderen dat we de weg met elkaar goed kwijt zijn?!”

‘GROTE PRIJSVERSCHIL REMT DOORBRAAK BIOLOGISCH’
,,Biologisch is een mooi voorbeeld van de marktgedrevenheid van de sector, maar lijdt ook onder de prijsdruk. Jaren geleden werd biologisch enorm door de overheid gepusht en moest Nederland biologisch. De gevolgen zijn bekend.
Afbouw van volumes en stoppen van biologische bedrijven. Nu is er balans en dynamiek, want de markt stuurt en is leidend. Beter een gezonde krapte dan overschot. Maar ik ben ervan overtuigd dat biologisch zich nog sterker zou kunnen ontwikkelen als de reguliere producten op een normaler, dus hoger, prijspeil zouden worden aangeboden.
Het te grote prijsverschil bij sommige producten remt een verdere doorbraak van deze nichemarkt.”


Naam: Wim H.J.M. van Pelt
Organisatie: Centrale Organisatie voor de Vleessector (COV) en Vereniging voor de Nederlandse Vleeswarenindustrie (VNV)
Functie: voorzitter
Geboren: 8 januari 1945 in Best
Burgerlijke staat: gehuwd, 2 dochters
Loopbaan: in 1968 afgestudeerd in fysische technologie aan de TH Eindhoven. Vanaf 1970 werkzaam bij Grasso’s Koninklijke Machinefabrieken. 20 jaar betrokken bij project Vriesconcentreren en laatste 2 jaar in Raad van Bestuur. Toen 6 jaar bij Sobel, waarvan het grootste deel in de VS. Na 6 weken pensioen nu al weer 6 jaar voorzitter COV
Persoonlijk motto: iedereen in z’n waarde laten en recht in de ogen kunnen kijken, zowel privé als zakelijk



 
Trefwoordenlijst voor meer informatie