Broeikasgasdiscussie vergelijkt appels met perenAuteur: dr. Gijs EikelenboomDe beeldvorming in de media over de emissie van de Nederlandse veehouderij komt niet overeen met de feiten. Volgens een FAO-rapport bedraagt de bijdrage van de veehouderijketen aan de emissie van broeikasgassen wereldwijd 18% CO2-equivalenten. Als je deze emissie zonder meer vergelijkt met de door het IPCC voor de wereldwijde transportsector becijferde 13% vergelijk je appels met peren. Bovendien is de bijdrage van de Nederlandse veehouderij aan de totale Nederlandse emissie de afgelopen decennia aanzienlijk gedaald. Tot 9% CO2-equivalenten. Enkele jaren geleden is het rapport ‘Livestock’s Long Shadow, environmental issues and options’ (LLS) van de FAO, de landbouw- en voedselorganisatie van de VN, verschenen. In deze bureaustudie beschrijven de Duitse landbouweconoom Steinfeld en collega’s onder meer de verschillende manieren waarop de wereldwijde veehouderij-vleesketen bijdraagt aan de productie van broeikasgassen. Zo draagt de productie van veevoer in de wereld sterk bij door de ontbossing ten behoeve van het inrichten van weide en akkerland (vooral in Zuid-Amerika), maar daarnaast ook door het gebruik van kunstmest en door het verbouwen en het transporteren van veevoer. De dierlijke productie zelf draagt o.a. bij via methaan dat vrijkomt bij de fermentatieprocessen in de pens van herkauwers, via methaan en lachgas dat vrijkomt uit de mest, d.m.v. de kooldioxide (CO2) die geproduceerd wordt bij de productie van kunstmest, het gebruik van machines en de verwerking en het transport van vlees- en zuivelproducten.
WERELDWIJDE EMISSIE Aan de wereldwijde CO2-emissie zou de bijdrage van de veeteeltketen 9% zijn, aan de methaanemissie 35 tot 40% en aan de lachgasemissie zelfs 65% . In de ‘Executive Summary’ van het LLS-rapport wordt gesteld dat de gecombineerde emissie aan broeikasgassen van de wereldwijde veehouderijketen, uitgedrukt in CO2-equivalenten (CO2e), ongeveer 18% bedraagt. Bij de omrekening van de andere broeikasgassen in CO2- equivalenten wordt rekening gehouden met het feit dat methaan en lachgas sterkere broeikasgassen zijn dan CO2. Terwijl de emissie aan broeikasgassen voor de veehouderijketen wereldwijd dus 18% CO2-equivalenten bedraagt, is de CO2e voor de transportsector door het IPCC becijferd op 13%. Op grond van deze cijfers wijzen tegenstanders van de (intensieve) veehouderij en/of de vleesconsumptie er in de media regelmatig op dat de emissie van de veehouderij 40% hoger is dan die van al het wereldwijde verkeer en vervoer.
JUIST LAGER Het is onjuist om op deze wijze de emissies van beide sectoren te vergelijken. Zoals reeds toegelicht, is voor de 18% CO2e van de veehouderij de bijdrage van de hele keten berekend, inclusief de toeleverende tak van het veevoer. Voor de 13% van ‘verkeer en vervoer’ is uitsluitend gerekend met de emissies van de verbranding van fossiele brandstoffen tijdens het vervoer. De winning en de verwerking van fossiele brandstoffen en de productie van staal en voertuigen worden hier bijvoorbeeld niet meegerekend. Er worden dan ook appels met peren vergeleken. Onlangs is het National Inventory Report 2010 (NIR 2010) verschenen met daarin de emissiecijfers over 2008. In dat jaar droeg de gehele Nederlandse landbouw 8,9% bij aan de totale nationale emissie van CO2e. Bij deze cijfers is overigens geen ketenbenadering toegepast. Het overgrote deel van die 8,9% is afkomstig uit onze veehouderij. Het rapport stelt vast dat de bijdrage van de transportsector in Nederland als gevolg van de verbranding van brandstoffen 17% CO2e is. Uit deze cijfers kan de conclusie worden getrokken dat de emissie aan broeikasgassen (in CO2-equivalenten) van de Nederlandse veehouderij niet 40% hoger, maar juist de helft lager is dan van al het verkeer en vervoer in ons land.
AFNAME IN NEDERLAND Terwijl wereldwijd de CO2e-emissie door de veehouderij stijgt, neemt hij in Nederland juist af. Het NIR2010-rapport concludeert dat de totale emissie van broeikasgassen (exclusief bos en landgebruik) in Nederland tussen 1990, het basisjaar van het Kyotoprotocol, en 2008 met 3% CO2-equivalenten is gedaald. Terwijl de totale CO2-emissie in die periode met 10% is gestegen, zijn de totale emissies van methaan en lachgas juist gedaald met respectievelijk 33% en 42%. De reducties van de nationale emissies in genoemde periode zijn grotendeels te danken aan de Nederlandse veehouderij. Deze informatie komt niet overeen met de beeldvorming in de media. Er zijn verschillende ontwikkelingen verantwoordelijk voor de daling in de emissies van de veehouderij. Allereerst is er een afname van het volume aan broeikasgassen, doordat onze veestapel in de periode 1990-2008 aanzienlijk is gereduceerd. Het aantal runderen is in die periode afgenomen met 21%; het aantal varkens met 14%. Volgens het Planbureau voor de Leefomgeving is er door de krimp in aantallen runderen, mede als gevolg van de melkquotering en de toename van de productie per dier, minder methaanemissie afkomstig van de pensfermentatie van herkauwers. Daarnaast is er, vooral door de krimp van de varkensstapel, ook minder methaan- en lachgasvorming uit de lagere hoeveelheid mest (in stallen en opslag).
VERDERE REDUCTIE Naast de reductie van de veestapel, is er sinds 1995 de mestwetgeving. Beweiding en toepassing van mest en kunstmest veroorzaken zowel directe (vanuit de bodem naar de lucht) als indirecte (via ammoniak) emissies van lachgas. Volgens het Planbureau voor de Leefomgeving is de directe en indirecte emissie van lachgas vanaf 1995 gedaald dankzij de efficiëntere omgang met stikstof als gevolg van het mestbeleid. In april 2008 is het ‘Besluit ammoniakemissie huisvesting varkens’ in werking getreden. Uiterlijk 2013 mogen alleen nog huisvestingssystemen worden toegepast met een emissiefactor die gelijk of lager is dan de maximaal toegestane emissiegrenswaarde. Uit zeer recent onderzoek van Wageningen UR blijkt dat traditionele stallen voor vleesvarkens de emissie kunnen verlagen tot beneden de wettelijk toegestane grenswaarde met relatief eenvoudige, gecombineerde maatregelen op het vlak van voeding, huisvesting en management. Het besluit zal bijdragen aan een verdere reductie van de emissies.
VERDUBBELING PRODUCTIE Het LLS-rapport houdt in het hoofdstuk ‘What needs to be done?’ een pleidooi voor technologische veranderingen, die wereldwijd de efficiency van de dieren opvoeren door een verbeterde voeding, fokkerij en gezondheid. Bij minder voerverbruik en een hogere productie van vlees, melk of eieren per dier, zijn minder dieren nodig en is de productie aan broeikasgassen per geproduceerde hoeveelheid minder. Nederland heeft in zijn intensieve veehouderij dergelijke efficiënte houderijsystemen. Het wereldwijd opvoeren van de dierlijke productie is volgens het LLS-rapport noodzakelijk. De toename van de vraag naar voedselproducten door groei van de bevolkingspopulaties en het inkomen is sterker voor dierlijke producten dan voor de meeste andere voedselbronnen. Het rapport verwacht dat de productie zal verdubbelen. Vlees van 229 miljoen ton in 1999/2001 tot 465 miljoen ton in 2050; melk in dezelfde periode van 580 ton tot 1043 miljoen ton. De bulk van de groei zal in ontwikkelingsgebieden plaatsvinden. China, India en Brazilië produceren nu al tweederde van de wereldproductie. Het rapport voorziet dat intensievere productiemethodes het meest zullen bijdragen aan de wereldwijde productietoename. Kip wordt de vleessoort van keuze vanwege de technische efficiëntie en de acceptatie over verschillende culturen heen. De inzet van overheid en bedrijfsleven is erop gericht om in de toekomst een verdere reductie van de emissies aan broeikasgassen te bereiken. LTO heeft daarvoor in 2007 een convenant gesloten met de overheid. Bij de te verwachte verdere groei van de wereldwijde vraag naar dierlijke producten dient echter ook internationaal voedselzekerheid te kunnen worden geboden. Streven naar een gezonde balans ABN AMRO signaleert scheefgroei tussen de bigproductie en de capaciteit van vleesvarkensbedrijven. Dit heeft een negatieve invloed op het risicoprofiel van de varkenssector. Vooral de vleesvarkenshouderij en het rendement daarvan verdient aandacht. Daarom adviseert de bank bedrijven over te gaan op nieuwe werkmethoden die een hogere diergezondheid bevorderen. Dit verhoogt het te verwachten rendement bij vleesvarkenshouders, maar ook bij zeugenhouders. Groot bijkomend voordeel is dat het dierenwelzijn hierdoor sterk verbetert en de carbon footprint vermindert. Daarmee wordt de duurzaamheid van de sector geborgd. De structuur van de sector verbetert als in de toekomst in toenemende mate het nieuwe meerwekensysteem, de all-in-all-out- of multisiteproductie wordt toegepast. Momenteel wordt nog voornamelijk gewerkt met het continusysteem. In de nieuwe methoden is er één uniforme leeftijd en gezondheidsstatus van dieren binnen het bedrijf. Hierdoor is de kans op ziekten kleiner. Daarmee verbeteren de gezondheid en de dierprestaties, zowel als de voerconversie en de groei. Bovendien kan arbeid bij de nieuwe systemen efficiënter worden ingezet. Omdat het exportaandeel van levende dieren in de varkenskolom toeneemt, verslechtert het risicoprofiel van de varkenssector. Vooral het risico van dierziekten speelt hierin een belangrijke rol. Daarnaast zal de export van vleesvarkens naar Duitsland afnemen, vanwege een kleiner wordend prijsverschil van vleesvarkens tussen Nederland en Duitsland. Nederlandse vleesvarkens waren in de afgelopen 6 jaar tot 60% goedkoper dan Duitse vleesvarkens. Met de stijging van het te verwachten rendement in de Nederlandse vleesvarkenshouderij zal de export van levende dieren minder belangrijk worden en het risicoprofiel dus verbeteren. De concurrentie van landen buiten de EU zal in de komende jaren verder toenemen. Het ontwikkelen en aanbieden van herkenbare en voor de consument onderscheidende producten zal daarom van groot belang blijken. Voorbeelden zijn o.a. Good Farming Star, Milieukeur en De Groene Weg.
Voor meer informatie kunt u surfen naar www.abnamro.nl/agrarisch of www.emissieregistratie.nl
| |
Trefwoordenlijst voor meer informatie |