Misbruik van inkoopmachtAuteur: dr. Gijs EikelenboomRetailers kunnen door hun macht soms onredelijke voorwaarden en eisen stellen aan hun leveranciers. Is een gedragscode, zoals van toepassing in verschillende Europese landen, ook in ons land de oplossing om dergelijke praktijken tegen te gaan? Retailers misbruiken soms hun macht. Contractverplichtingen die door hen niet worden nagekomen of waarvan de voorwaarden achteraf worden gewijzigd. Regelmatig komt het voor dat afgesproken betaaltermijnen eenzijdig worden verlengd. Soms verlangt de afnemer zelfs dat de leverancier niet voor dezelfde prijs aan zijn concurrenten levert. Dergelijke klachten hoort men ook wel in de agrofoodsector. Uit onderzoek onder MKB-leveranciers, in 2009 verricht in opdracht van het ministerie van Economische Zaken, is gebleken dat deze praktijken in Nederland in verschillende branches, waaronder de voedingsbranche, voorkomen.
RECHTER EN NMA Individuele leveranciers zien er tegenop naar de rechter te stappen als een afnemer misbruik maakt van zijn inkoopmacht. Ze zijn namelijk ook afhankelijk van die afnemer en vrezen daardoor een goede klant te verliezen. Afnemers kunnen zich verenigen. Bij (herhaald) misbruik van inkoopmacht kan zo’n vereniging of stichting naar de rechter stappen. Maar ook dan moet men misbruik hard kunnen maken en dat kan vaak alleen door concrete individuele gevallen aan de rechter voor te leggen. De bevoegdheden van de mededingingsautoriteit NMA bij misbruik lijken beperkt. Het doel van de mededingingsregels is vooral het beschermen van de consument die als gevolg van mededingingsbeperkend gedrag hogere prijzen moet betalen of minder keuzevrijheid heeft. Het mededingingsrecht lijkt geen of onvoldoende handvatten te bieden om misbruik van inkoopmacht tegen te gaan.
BRITS VOORBEELD Groot-Brittannië heeft sinds 2000 een gedragscode voor supermarkten. Uit onderzoek van de Britse mededingingautoriteit was gebleken dat supermarkten in het Verenigd Koninkrijk als afnemers van levensmiddelen in staat waren de marges van hun directe leveranciers dermate onder druk te zetten dat zij nauwelijks nog konden investeren en innoveren. Consumenten zijn daarvan uiteindelijk de dupe. Daarop is voor deze situatie een gedragscode opgesteld om de contractuele relatie tussen supermarkten en hun directe leveranciers te verbeteren en excessen te voorkomen. De gedragscode is dwingend opgelegd door de mededingingsautoriteit aldaar en bevat regels over de wijze van zaken doen van de supermarkten met hun toeleveranciers. Naar aanleiding van eerdergenoemde onderzoek, heeft het ministerie van EZ in 2010 een sondering uitgevoerd onder een groot aantal brancheorganisaties naar hun idee over een gedragscode. Hoewel er onder de organisaties die reageerden ook negatieve reacties waren of twijfel over de effectiviteit, wil de meerderheid van die organisaties medewerking verlenen aan het tot stand brengen van een gedragscode. Als voordelen van een gedragscode ziet men o.a. het ‘commitment’ van leveranciers en afnemers, de laagdrempeligheid om excessen van inkoopmacht aan te kaarten en de lichte vorm van regulering die ermee bereikt wordt. In de nadagen van haar ministerschap op Economische Zaken heeft Maria van der Hoeven zich uitgesproken voor een gedragscode.
NEDERLANDSE GEDRAGSCODE Voorbeelden van regels in de Britse gedragscode zijn dat contractuele verplichtingen op schrift worden gesteld, een verbod op het achteraf en eenzijdig wijzigen van eerder overeengekomen voorwaarden en de eis dat betalingen binnen redelijke termijn moeten geschieden. De Nederlandse gedragscode zal naar verwachting vergelijkbare bepalingen bevatten. Bij de Nederlandse plannen, zoals Maria van de Hoeven die bekend maakte, zullen meer sectoren worden betrokken dan alleen de levensmiddelensector. De gedragscode zal ook op basis van vrijwilligheid zijn en niet dwingend worden opgelegd door de mededingingsautoriteit, zoals in Groot-Brittannië. De gedragscode zal dus een vorm van zelfregulering zijn en zal alleen succesvol zijn als leveranciers en afnemers meewerken en zich er aan conformeren. Er zullen geschillencommissies worden ingesteld. ‘Mediation’ kan daarbij partijen de mogelijkheid bieden in onderling overleg tot een oplossing te komen. Het ministerie van EL&I wil de invoering van zo’n vrijwillige gedragscode faciliteren, maar de branches moeten zelf het initiatief nemen, aldus de vorige minister van Economische Zaken.
AGROFOOD Volgens een woordvoerder van het ministerie van EL & I staat het huidige kabinet nog steeds achter een gedragscode. Het ministerie heeft een onderzoeksbureau de opdracht gegeven om de gedragscode vorm te geven. Dat bureau onderzoekt nu in twee sectoren - agrofood en mode/textiel - of een gedragscode van de sector zelf een effectieve oplossing biedt en hoe eventuele geschillen kunnen worden opgelost. Eind dit jaar verwacht men dat het onderzoek klaar is. Wij vragen Richard van der Kruijk van de Centrale Organisatie voor de Vleessector naar het standpunt van de COV ten aanzien van de gedragscode. „Een gedragscode moet echte uitwassen bestrijden. In een contract gemaakte afspraken moeten worden nagekomen. Als een vrijwillige code daaraan bijdraagt, zou dat goed zijn. De code moet wel voorzieningen treffen bij problemen, als die zich voordoen. Wij volgen de discussie met belangstelling, maar nemen niet het voortouw. We zijn volgend wat de koepelorganisaties doen ten aanzien van de gedragscode,” aldus de algemeen secretaris van de COV.
HUISMERKEN Volgens Frank Bunte, senior onderzoeker bij het Landbouw Economisch Instituut (LEI), denkt ook de Europese Commissie na over regels voor een gedragscode, die in veel Europese landen al bestaat. „Het gaat om het creëren van ‘countervailing power’. Als je zo’n tegenmacht wil organiseren, moet je meer belang hechten aan gemeenschappelijke belangen dan aan individuele belangen,” zegt Bunte. Hij constateert dat er ook wel positieve kanten aan de inkoopmacht van grootwinkelbedrijven zitten. „Ze stoppen het geld niet in eigen zak, maar geven het door aan de consument. Als een gedragscode wordt ingevoerd ter beperking van misbruik van die macht, zou je eigenlijk een soort economische ombudsman moeten hebben. Die zou ook onafhankelijk onderzoek moeten kunnen uitvoeren. Voor ‘naming en shaming’ zijn supermarktketens wel bang.” Op verzoek van de Europese Commissie onderzocht Bunte, samen met onderzoekinstellingen in enkele andere EU-landen, de wenselijkheid van een (verplichte) melding van de producent op de verpakking van huismerken. Bunte, projectleider van dit project: „Aan het vermelden van de producent op de verpakking zitten voor- en nadelen. Ze geven informatie aan de consument, maar kunnen ook leiden tot meer segmentatie van de markt. Ze veranderen echter niet de onderhandelingsrelaties tussen leveranciers en afnemers. Leveranciers zitten er ook niet op te wachten dat consumenten kunnen zien dat A-merken en huismerken van dezelfde fabrikant tegen verschillende prijzen in het schap liggen. Tenders voor het leveren van huismerken bieden producenten flexibiliteit. Zij kunnen tijdelijke overcapaciteit invullen. De conclusie van ons onderzoek was dat verplichte vermelding van de producent niet de oplossing is voor het inperken van de macht van de grote afnemers.”
FACT OF LIFE En de vleessector dan?, vragen we. „Het probleem met de vlees- en vleesverwerkende industrie is dat het rendement op eigen vermogen te laag is,” antwoordt Frank Bunte. „Er is sprake van een overaanbod en overcapaciteit in de industrie. Als je dat via marktwerking gaat uitzieken, blijven de beste bedrijven over. Met beschermende maatregelen van de overheid bescherm je de zwakken. De bedrijven zitten ook echt niet te wachten op meer regelgeving. Misschien moet je de macht van het grootwinkelbedrijf maar zien als een ‘fact of life’. Het maakt het leven voor de leveranciers moeilijker, maar niet onmogelijk.”
| |
Trefwoordenlijst voor meer informatie |